Laat werk niet je identiteit bepalen

Foto NRC

NRC 05 januari 2018 – De waarde van werk Flexwerk, robotisering, langer doorwerken, vaker wisselen van baan, meer vrouwen op de arbeidsmarkt. Wat betekenen die ontwikkelingen voor de waarde die we hechten aan ons werk?

Liefde en werk: die twee dingen geven ons leven de meeste betekenis. Althans, dat is wat we in onze cultuur geloven, zegt filosoof Alain de Botton. Een zeer ambitieuze aanname noemde hij dat in een interview met Vrij Nederland, vlak na het verschijnen van zijn boek Ode aan de Arbeid in 2009. „Het idee dat je zowel gelukkig kunt zijn als geld verdienen is een poging noodzaak en verlangen te verenigen.”

Het is een prachtig idee dat vele slachtoffers maakt, zei hij. Want lukt het niet, dan denken we: waar ben ik het verkeerde pad ingeslagen? Wat is er mis met mij? De Botton volgde mensen in verschillende werkkringen – een koekjesfabriek, een accountantskantoor – omdat hij wilde weten wáárom wij werken. Waarom laten we werk zo’n belangrijke plaats in ons leven innemen, dat we er zelfs onze identiteit aan ontlenen

Werk krijgt een steeds dominantere rol in ons bestaan. Meer Nederlanders werken, en dat doen ze tot op steeds hogere leeftijd. En hoe meer mensen werken, hoe pijnlijker het bovendien wordt voor de mensen die dat niet doen, blijkt uit onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau uit 2016. De helft van de werklozen is tevreden met hun leven – een dalende trend. Van de werkenden is negen op de tien tevreden. En ook de klassieke „huisvrouw” zonder betaalde baan is minder gelukkig dan iemand die werkt, zegt Paul de Beer, hoogleraar Arbeidsverhoudingen aan de Universiteit van Amsterdam. Terwijl vrouwen die fulltime voor het gezin zorgden in de jaren negentig nog even gelukkig waren. „De werkende maatschappij verwacht nu dat ze werken.”

Géén baan hebben wordt dus steeds vervelender. Maar niet alleen stijgen de pensioenleeftijd en de arbeidsparticipatie (van vrouwen), ook het aantal flexwerkers blijft toenemen, blijkt uit recente cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Ruim eenderde van de werkenden had in 2016 een flexibele arbeidsrelatie of was zzp’er. Daarnaast verdwijnen er banen door technologie en werken er steeds meer mensen in deeltijd, nu ongeveer de helft van de werkenden. Wat betekenen al die ontwikkelingen op de arbeidsmarkt voor de waarde die we hechten aan ons werk?

 

De Beer leidt sinds begin dit jaar een onderzoeksproject waarmee meer inzicht moet worden verkregen in die vraag. Het project wordt gefinancierd door de Goldschmeding Foundation voor Mens, Werk en Economie. Vooralsnog is er vooral geïnventariseerd wat we al weten over de waardering van werk, vanuit een internationaal en historisch perspectief.

Veel vragen over de gevolgen van de veranderende arbeidsmarkt voor de plaats die werk inneemt in ons leven zijn nog onbeantwoord. We weten bijvoorbeeld niet of een vaste baan voor het leven nog steeds het ideaal is, of dat moderne, hoogopgeleide burgers eigenlijk het liefst hun eigen baas willen zijn. We weten ook niet waarom vooral voor de babyboomers werk steeds belangrijker wordt. En of er een verband is tussen het feit dat Nederlanders zo gelukkig zijn, vergeleken met mensen uit andere Europese landen, en dat ze relatief weinig uren per week werken.

Er is nog weinig inzicht in dit soort vragen, zegt De Beer, maar het voorlopige beeld is dat het arbeidsethos van Nederlanders stabiel hoog blijft. Alleen onder de ‘millennials’, de generatie geboren tussen 1980 en 1999, daalt dat ethos licht. Waarom is alweer niet bekend. Tegelijkertijd komt werk voor alle generaties centraler te staan in het leven. Nu vindt zo’n 80 procent van de Nederlanders dat er belangrijkere dingen in het leven zijn dan werken. In 2002 was dat nog zo’n 90 procent. Of er echt sprake is van een structurele ontwikkeling, durft De Beer niet te concluderen. „Maar het lijkt er wel een beetje op.”

Geen baan voor het leven

Werk wordt dus belangrijker gevonden, terwijl tegelijkertijd steeds meer mensen minder baanzekerheid hebben. Omdat ze bijvoorbeeld flexwerker zijn, of omdat hun werkzaamheden dreigen te worden overgenomen door computers. Mensen moeten in toenemende mate „vechten voor een nieuwe, professionele identiteit”, zegt hoogleraar Filosofie van de managementwetenschappen René ten Bos, de huidige Denker des Vaderlands. „Ze moeten zich voortdurend aanpassen. En dat is natuurlijk altijd bedreigend voor een identiteit.”

Als voorbeeld noemt hij de banken: door de automatisering worden dat in toenemende mate ICT-bedrijven. „Die hebben geen accountants meer nodig, maar ict’ers.” Banken schrappen al jaren banen als gevolg van automatisering. Vorig jaar bleek uit ramingen van uitkeringsinstantie UWV dat er in de hele financiële sector in een decennium 55.000 tot 60.000 banen zijn verdwenen. Volgens het UWV vindt van alle werklozen uit de financiële sector gemiddeld slechts 15 procent weer een nieuwe baan in dat veld. En dat is weinig: gemiddeld blijft bijna de helft van de werkzoekenden uiteindelijk werkzaam in de eigen sector. Ontslagen bankmedewerkers moeten hun professionele identiteit daarom volledig omgooien. Een ‘mobiliteitsmanager’ die Rabobank-werknemers helpt bij het vinden van ander werk, gaf vorig jaar in NRC voorbeelden uit de praktijk: oud-werknemers begonnen een bed and breakfast in Oostenrijk, werden fotograaf, of conducteur bij de NS.

Vroeger haalden mensen hun identiteit ook uit de aard van de organisatie, zegt Ten Bos. Je was een typische Shell-man, of Philips-man – in die tijd sowieso nog een man. „Dat is over, want een baan heb je niet meer van cradle to grave.” De identificatie met een bedrijf is dus verdwenen of in ieder geval veel minder sterk, zegt Ten Bos. En misschien geldt dat ook in toenemende mate voor de identificatie met een baan.

Wat daarbij meespeelt is volgens hem de opkomst van de manager, een ander fenomeen op de veranderde arbeidsmarkt. Het is een beroepsgroep waarin mensen weinig vertrouwen hebben volgens onderzoek van het Britse bureau Ipsos Mori uit 2016, maar tegelijkertijd ambiëren ze zelf wél vaak een managementfunctie. Want dat verdient goed, zegt Ten Bos, en het geeft een bepaald soort macht. „Ik denk dat mede door de toename van het aantal managers de rol van werk in het persoonlijk leven is veranderd. Deze mensen identificeren zich minder met hun baan dan de echte professional – een leraar of een verpleegster, voor wie het werk zelf het doel is.” Een managementbaan is volgens Ten Bos eerder een middel om een extern doel te verwezenlijken: geld verdienen, de hypotheek betalen, de kinderen laten studeren.

Misschien, zegt Ten Bos, moeten mensen daarom leren niet langer te vechten voor hun professionele identiteit, maar hun identiteit ergens anders door laten bepalen. „Ik zie managers en advocaten die zich bijvoorbeeld identificeren met voetbalclubs, dat is een manier. Een bevriend Feyenoord-supporter zei me eens dat zijn club geen voetbalclub is, maar een zuivere religie. En zo gaat de één naar voetbal, en de ander naar een tantracursus.” Wat hij maar wil zeggen: als mensen identiteitszoekende wezens zijn en een baan die identiteit steeds minder biedt, omdat werknemers bijvoorbeeld geen vaste contracten meer krijgen, dan zullen mensen hun identiteit ergens anders vandaan moeten halen. Ten Bos: „ Dat wil niet zeggen dat dit zomaar lukt, mensen experimenteren voortdurend met identiteiten.”

We zíjn ons werk

Het lijkt Leonie Wolters inderdaad nogal ingewikkeld. Wolters (27) maakte vorig jaar de podcast Looswerk voor omroep VPRO. Ze zocht uit wat werk eigenlijk is, en of er wel echt nuttig werk bestaat. Een van de dingen die ze leerde van haar interviews over werk (met onder anderen een hoogleraar arbeidsgeschiedenis, twee reclamejongens en een kunstenares), was dat mensen eraan gewend zijn dat hun werk onderdeel van hun identiteit is. „We zíjn iets, in plaats van dat we alleen maar iets doen.”

Aan de Freie Universität Berlin doet Wolters een promotieonderzoek naar M.N. Roy – een Indiase nationalist, humanist en communist. Haar vakgebied is intellectuele geschiedenis. Zelf heeft ze een „problematische relatie met werk”, zegt ze. Deels beschouwt ze haar werk als „een beetje moeilijk doen in de bibliotheek”. „Als ik dit niet zou doen, vallen er geen doden.” Maar ze geeft er wel vorm mee aan haar leven. „Als ik lui ben en een tijdje niet veel heb gedaan, vind ik dat heel erg. Werk is toch een erkende methode om jezelf te ontwikkelen.” Hoe dan ook, relativeren van het belang van haar werk helpt haar het niet al te serieus te nemen, en dat werkt.

‘Dus ook als je niet tevreden bent met je baan, ben je altijd tevreden dat je werk hébt’

Vanuit de visie van René ten Bos is dat zelfs een heel gezonde manier om naar werk te kijken. Het is, zegt hij, wel zo verstandig werk niet te „verabsoluteren” in het bestaan. „De hele geschiedenis van arbeid is: arbeidsplaatsen overbodig maken. Bedrijven proberen zo goedkoop en efficiënt mogelijk te produceren. Als het met minder mensen kan, dan doen ze dat.” En daarbij: „Als de welvaart toeneemt, wordt de behoefte om van die welvaart te genieten groter. Nederlanders werken minder dan bijvoorbeeld de Grieken.” In cijfers: de gemiddelde arbeidsduur van een Nederlander is 30 uur per week, het minst van de Europese Unie.

Al wil dat niet zeggen dat we liever helemaal niet meer zouden werken. Nederlanders hebben én houden een sterk arbeidsethos. Daar staan ze al eeuwen om bekend, zegt Paul de Beer. De overgrote meerderheid zou niet stoppen met werken als dat financieel niet meer nodig zou zijn. „Veel mensen zeggen wel dat ze dan ánder betaald werk zouden gaan doen.” Maar er is één ding erger dan rotwerk, zegt De Beer. „Dat is géén werk. Dus ook als je niet tevreden bent met je baan, ben je altijd tevreden dat je werk hébt.”

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *